Kukumaria en andere vrienden

Kukumaria en andere vrienden

We kwamen heel laat aan met de trein en werden opgehaald door een Nederlandse man met een minibus. Hij had een Rus bij zich. De Rus was zo blij om ons te zien, het was alsof hij eindelijk herenigd werd met zijn familie. Hij vertelde hoe opgetogen hij was, vanaf het moment dat hij hoorde dat er andere Russen in het asielzoekerscentrum in Hoeven zouden komen. Ik weet niet hoe hij heette, maar wij doopten hem al snel ‘Kukumaria’, maar een dubieus, eetbaar zeebeest uit een conservenblikje dat in eenzame stapels de winkels vulde in de jaren rondom de perestrojka. Kukumaria kwam net als wij uit Moskou, op zich een niet onbelangrijke bindende factor. Daar was hij kapper geweest. Een hele chique kapper van mensen met privileges. Ik droomde er meteen van dat hij ook een keer mijn haar zou knippen. Of, misschien zelfs een beetje, heel lichtjes, zou permanenten?

Waarschijnlijk vond Kukumaria in ons gezin niet de vrienden die hij zocht. Al had hij lange gesprekken met mijn vader over welk verhaal hij moest kiezen om de meeste kans te maken op een verblijfsvergunning. Doen alsof hij homofiel is, was wel erg gênant. En doen alsof hij Joods was, erg veel werk. En eigenlijk nog gênanter. Ik heb geen idee wat er met hem gebeurd is.

Onder de mensen waar mijn vader mee sprak was een Koerd uit Irak, een lange knappe man met bruin haar en een rossige baard. Mijn man Jesse heeft ook een rossige baard, meer zoals van Gogh. De Koerd vertelde over de oorlog en ook over gasaanvallen. Ik begreep het niet. Mijn vader legde mij uit over de strijd van de Koerden. De mooie Koerd sprak tot mijn verbeelding, maar ook de donkere man uit Egypte of Soedan. Hij liet kleurenfoto’s zien van zijn beeldschone vrouw en kinderen en zichzelf op een patserige boot. Op de foto had hij altijd pakken aan van grijze, glanzend stof. Hij had ook de zachtste, mooiste huid en zachte stem.

Met een heleboel mensen konden wij niet praten. Maar we konden vaak wel om en soms met hen lachen. Somalische mannen bijvoorbeeld, die voorzichtig hun sarongs op de juiste plek vasthielden, terwijl ze op een wenteltrap voor ons uit liepen. Mijn zus fluisterde: ze hebben niets aan, daaronder!

Mijn zus Alexandra was het enige jonge meisje in het hele AZC vol met gelukzoekende mannen, getraumatiseerde mannen, gedeserteerde mannen en een paar gezinnen, waar gek genoeg, meestal geen man bij was. Al die mannen zochten naar de aandacht van mijn zus. Zij werd bevriend met een paar jongens uit Libanon, maar wilde met geen van beiden een relatie. Eentje was boos om de afwijzing en tekende op tafel waar we altijd zaten te eten een kalashnikov met wat antisemitische leuzen. Dat was het einde van de vriendschap. Maar ze had ook aanbidders die niet zo makkelijk wilden opgeven. Bijvoorbeeld ‘Sjoebka’ (‘Bontjasje’), een Afrikaan die niet een taal sprak dat iemand verstond en altijd een damesbontjasje droeg.

Het was oktober. De tijd waarop in Moskou vaak al eerste sneeuw viel, wij waren dus wat gewend. Maar voor de mensen uit warmere streken, kon het best koud zijn, zo op het Hollandse platteland. Op een dag stond bij de telefooncellen buiten een groepje kleine, ielige, bruine mannen met zwart haar te bellen naar hun thuisland Sri Lanka. Ze stonden duidelijk te kleumen en sommige hadden de witte AZC-handdoeken, als tulband om hun hoofd geslagen. Het was een triest gezicht. Mijn vader zei: zo, dit zijn dus de Tamil-tijgers! In die tijd stonden de Sovjet kranten vol verhalen over de wreedheid van de Sri-Lankaanse rebellen.

De kleine Indiër leek alleen maar qua postuur op de Tamil Tijgers. Hij was geenszins aandoenlijk of getraumatiseerd. We konden met hem communiceren, want hij sprak Engels. En hoe! Hij vertelde dat hij een kampioen snelwandelen was en deed het snelwandelen graag voor. Hij was ook een miljonair, maar zijn met edelstenen en goud versierde auto en huis waren ten onder gegaan bij een ontplofte bom, neergelegd door jaloerse mensen. Hij had het ternauwernood overleefd. De Indiër is van alle Hoevense vrienden de enige van wie we ooit nog iets hoorden. Een paar jaar na onze verhuizing naar de Amsterdamse Bijlmer, kwam vader hem tegen in Amsterdam. Voormalig kampioen snellopen en miljonair vertelde trots dat hij een hele goeie baan had bij de snackbar op het Leidseplein.

2017-08-03T17:00:11+00:00 28 juli, 2017|